Verslagen bijscholingen
Bijscholing Meerjarenplanning op 8 november 2008 te Brakel
Op ons verzoek heeft ons lid, Yvonne Schoones, wederom de terugblik verzorgd van de bijscholing “Meerjarenplanning” in Brakel. Yvonne, namens de NVVZT heel erg bedankt!
8 November 2008 kon ik me opnieuw verheugen op een leerzame en leuke dag georganiseerd door de NVVZT. Dit keer stond de applicatie in het teken van “Meerjarenplanning”.
Na 's ochtends eerst training te hebben gegeven ging ik op weg naar de mooie lokatie “Huis Brakel” in Brakel. Met een hartelijke ontvangst met koffie en cake begon de dag al goed. Rond 9.45 uur werd iedereen verzocht in de zaal plaats te nemen en opende Rene Dekker met een welkomstwoord de dag.
Over de dag verdeeld kwamen vier sprekers aan het woord die ieder een uur de gelegenheid hadden om vanuit hun vakgebied informatie te geven over Meerjarenplanning. De sprekers hadden vooraf, aan de hand van vragen die door de organistoren van de NVVZT waren opgesteld, hun lezingen voorbereid en dit zorgde wederom voor een mooie en goede rode draad binnen de verschillende lezingen.
Achtereenvolgens kwamen Dr. Rudolph Klaus, Ton van Eerden, Dr. Jan Olbrecht en Mandy van Rooden aan het woord. Al met al een mooi internationaal gemêleerd gezelschap die vanuit hun vakgebied ons de waarde van een meerjarenplanning verduidelijkten.
Dr. Rudolph Klaus wijdde ons in in de verschillende fasen van training vanaf het moment dat een zwemmer op jonge leeftijd begint met zwemmen tot aan het bereiken van eventuele topprestaties. Hij wees op het belang bij jongere kinderen om met zoveel mogelijk bewegingsvormen bezig te zijn. Het zwemmen is zeer complex, je hebt niet alleen te maken met een veelheid aan bewegingen maar ook nog met de factor water waardoor het lichaam geheel andere prikkels krijgt als op het land. Daarom is op jonge leeftijd een scala aan bewegingen belangrijk maar ook een duidelijke opbouw in training (Meerjarenplanning) is van groot belang. Vervolgens wees Ton van Eerden ons op het belang van de verschillende doelstellingen in elke fase van het meerjarenplan. Ook hij wijst op het belang verschillende impulsen te geven, ook vanuit andere disciplines en niet alleen de zwemspecifieke disciplines. Daarnaast hecht hij belang aan het geheel, een zwemmer moet niet alleen zijn techniek en uithoudingsvermogen ontwikkelen maar daarbij zijn ook mentale ontwikkeling en psychosociale ontwikkeling van groot belang om binnen de topsport door te dringen en op hoog niveau te kunnen handhaven. De basis moet daarvoor al gelegd worden bij jonge zwemmers. Het is daarom van wezenlijk belang om een goede trainer te hebben aan de onderkant. Na de lunchpauze die heel goed verzorgd was en waar iedereen in de gelegenheid was om met collega trainers van gedachte te wisselen begon het middagprogramma. Dr. Jan Olbrecht, wetenschapper en inspanningsfysioloog ging nader in op de verschillende energie systemen die getraind moeten worden binnen de verschillende fasen van het meerjarenplan. Zowel kracht, uithoudingsvermogen en fysieke conditie behoren binnen de verschillende fasen aandacht te krijgen. Hierbij is het van belang om altijd de belastbaarheid en de trainingsrespons in de gaten te houden. Natuurlijk kwam ook zijn paradepaardje…de lactaatmeting…..ter sprake. “Weet wat je meet” is een belangrijke uitspraak van hem en lactaat metingen zijn objectief. Helaas zijn lactaatmetingen niet voor een doorsnee club weggelegd maar het was wel interessant om van deze gedreven man een tipje van de sluier opgelicht te krijgen over lactaatmetingen en het doel en gebruik daarvan.
Het sluitstuk werd gedaan door Mandy van Rooden. Zij vertelde vanuit haar eigen praktijkervaring hoe belangrijk het is om een gedegen voorbereiding zowel op korte als op langere termijn vast te leggen. Daarnaast is het van belang om jezelf te evalueren en waar nodig trainingen bij te stellen. Zowel een planning op micro (= van week tot week ) - meso (van periode naar periode) en macro (meerjarenplanning) niveau is van belang. Haar leidraad voor bij het maken van de verschillende trainingen is plannen-----uitvoeren----- -meten-------aanpassen. Door kritisch te zijn naar jezelf als trainer kan je de zwemmers tot een betere prestatie brengen. Ik neem mijn petje af voor de organisatoren van deze dag. Opnieuw zijn Rene Dekker, Anton Koekkoek, Titus Mennen en Jan Heidelberg er in geslaagd een zeer leerzame applicatie te organiseren met interessante sprekers en kijk ik uit naar de volgende bijscholing die gepland staat op 29 maart 2009 .
Wat mij betreft tot ziens,
Yvonne Schoones (trainster Z en PV Nuenen)
Bijscholing Taperen 9 februari 2008 (Informeren en kennis overdragen)
Applicatie Nederlandse Vereniging Van Zwemsport Trainers groot succes! Ruim 100 belangstellende train(st)ers kregen aan de hand van een clustering van 75 vragen over dit onderwerp antwoord van 5 gerenommeerde spre(e)k(st)ers.
De spits werd afgebeten door Sandra van Essen, sportpsycholoog en begeleid(st)er van (top)sporters. Onder meer door citaten van Thijs van Valkengoed gaf Sandra het belang van mentale training aan. Door middel van aandachtscirkels gaf zij aan hoe en waarom sporters afgeleid worden van hun taakgerichtheid en hoe hierin verbetering kan worden gebracht. Uit haar betoog werd duidelijk dat de huidige begeleiding in de (top)sport niet meer zonder deze deskundigheid kan. Ook Jacco Verhaeren, technisch directeur KNZB en hoofdtrainer van het Nationaal Zweminstituut Eindhoven met o.a. Pieter van den Hoogenband, Marleen Veldhuis en Inge Dekker in de gelederen, gaf aan dat de trainer zijn sporters moet kennen om te kunnen bepalen hoe en wat er in de taperperiode gedaan moet worden. Aan de hand van praktische voorbeelden gaf Jacco aan ruim 60 taperperiodes te hebben geëvalueerd. Documentatie en registratie is daarbij van wezenlijk belang. Bijzonder en nog niet eerder ging Jacco in op het feit dat de trainer mee moet “taperen” met zijn sporters. Op het moment van de wedstrijd moet juist de trainer rust en vertrouwen uitstralen. Het is duidelijk dat de trainer zich op dat moment net zo goed moet voorbereiden op de wedstrijden.
Net als Jacco gaf Martin Truijens, inspanningsfysioloog en hoofdtrainer bij het Nationaal Zweminstituut Amsterdam (NZA) met o.a. Femke Heemskerk, Nick Driebergen en Chantal Groot, aan dat de reductie in training tussen de 60% en 90% ligt, met andere woorden de omvang neemt af daar waar de intensiteit omhoog gaat. Martin gaf daarbij de wetenschappelijke fysiologische bevindingen en onderzoeken weer en gaf een goed doortimmert beeld van zijn trainingen tijdens de taperperiode en de fysiologische effecten daarvan. Na de lunch kwam Cees Vervoorn aan het woord. Cees is o.a. directeur van de Academie Lichamelijke Opvoeding te Amsterdam, maar is ook werkzaam geweest bij NOC*NSF, was chef de mission van de Paralympics en trainer van Olympisch kampioene Jolanda de Rover in 1984. In de jaren 1988 en 1992 was hij bovendien als trainer aanwezig op de Olympische Spelen. Zelf was Cees in 1980 Olympisch finalist. Cees verhaalde over de Taper, My Story. De lengte van de taper heeft niet alleen te maken met de lichaamsbouw, het gewicht etc. maar ook karaktereigenschappen die je van je sporters moet kennen, spelen een rol in de benadering van de taper. Ook benoemde Cees twee verschillende manieren om te taperen. Hij schetste een geleidelijke afname van omvang en een abrupte manier van afbouwen. Extra benadrukt werd door hem het belang van het betrekken van de ouders bij de taperperiode in het bijzonder en de gehele trainingsplanning in het algemeen. De keuzes die een trainer maakt moeten bekend zijn bij de omgeving van de sporter.
Tot slot hield Huub Toussaint als begenadigd wetenschapper, o.a. universitair hoofddocent bij de faculteit der Bewegingswetenschappen van de V.U. te Amsterdam en deeltijdlector Bewegingswetenschappen aan de Hogeschool aldaar, een zeer interessant betoog over het fenomeen tapering off. Huub maakte op een voor alle aanwezigen begrijpelijke manier duidelijk welke effecten trainingen hebben in relatie tot de tijd waarbij een verhoogd prestatie niveau waarneembaar is. Hij ging dieper in op de bekende grafieken van trainingsprikkels die leiden tot supercompensatie. Als toetje gaf Huub aan dat hij in samenwerking met de zweminstituten van Amsterdam (Martin Truijens) en Eindhoven (Jacco Verhaeren) en Innolab (Roald van Vliet) onderzoek doet naar een programma dat door middel van het invullen van parameters de hartfrequentie voorspelt in relatie tot de te zwemmen afstanden, de intensiteit en de te nemen rust tijdens trainingssets. Op deze manier kunnen sporters binnen beoogde trainingszones blijven trainen waardoor de effecten van trainingen verbeterd c.q. gewaarborgd worden. Doel is uiteindelijk ook deze informatie toepasbaar en toegankelijk te maken voor alle zwemtrainers van Nederland. Kortom een zeer leerzame en unieke bijeenkomst waar de NVVZT als organisator trots op is!
René Dekker
Bijscholing Rugcrawl, Rompstabiliteit (kracht) en talentbegeleiding op 4 maart 2006 te Utrecht
Ruim 70 trainers en coaches waren afgelopen zaterdag 4 maart in Utrecht bijeengekomen voor de bijscholing rugcrawl, rompstabiliteit (kracht) en talentbegeleiding. Wij kunnen spreken van een hooggewaardeerde applicatie mede door de variatie in thema’s en de kwaliteit van onze sprekers, Harald Wolf (D), Mandy van Rooden (trainster NZE) en Jan Herber (fysiotherapeut). Wij mochten ons gelukkig prijzen met de deelname van een aantal coaches en oud-zwemsters waaronder Lode Grossen en Brigitte Becue uit Vlaanderen en de oud-zwemsters Kira Fijn-Bulten en Nathalie Koekkoek die, na hun zwemsuccesen eindjaren 80 - begin jaren 90, zich in het trainersvak gestort hebben. Tot onze spijt moest een van onze sprekers, Bernd Henneberg van steunpunt Magdeburg (D), op het laatste moment afzeggen. Gelukkig heeft Anton Koekkoek na twee dagen intensief bellen en mailen, via zijn Duitse trainers netwerk, Harald Wolf bereid gevonden een presentatie te geven rond de talentbegeleiding in de deelstaat Bremen – Bremerhaven in Noord Duitsland.
Harald Wolf
Harald Wolf is Landestrainer in zwemmen en coördinator Leistungssport en Sportklassen van de Sportbetonte Schule Ronzelenstrasse, partner in Leistungssport. De coördinatie tussen leraren/trainers van verschillende sporttakken en het implementeren van trainingen en lesroosters is een dagtaak. Daarnaast is hij aanspreekpunt voor de politiek. Harald is in staat geweest om door middel van een helder betoog, ondersteund door dia’s en sheets, waarin de structuur en doelen van sportklassen in combinatie met wedstrijdsport duidelijk zijn gemaakt.
Mandy van Rooden
Rugcrawl. Dit was het onderwerp waar wij Mandy van Rooden voor hebben gevraagd om haar licht daar eens over te laten schijnen. Haar bijdrage was vooral op de praktijkgericht waarbij Mandy heeft benadrukt dat het haar ervaringen zijn en dat een en ander niet betekent dat iedereen dat klakkeloos zou moeten overnemen. In de PowerPoint presentatie werden haar bevindingen duidelijk gemaakt met video’s van Hinkelien Schreuder. Een mooi voorbeeld om de stuwvlakken zo snel mogelijk loodrecht op de bewegingsrichting te krijgen waarbij aan het eind van de duwfase een enorme versnelling zichtbaar is, is de “kijkoefening” Vanuit de onder water vensters van het splinternieuwe bad in Eindhoven konden de trainers zien hoe de beweging optimaal uitgevoerd kan worden. Door een zwarte stip aan de binnenzijde van de hand te plaatsen is het mogelijk voor de sporter de hand van het begin tot het einde van de trekfase te volgen. Vanuit de zaal kwam de suggestie om ook een zwarte stip te plaatsen op de handrug zodat ook de duwfase te zien zou zijn. Mandy gaf aan dat zij nog werkt aan de techniek van de insteek (Catch-fase) waarbij de hand zo geplaatst wordt dat direct grip is op het water zodat meteen met de trekfase begonnen kan worden. Dat houdt in dat direct na de insteek diepte gezocht moet worden. In het hedendaagse zwemmen is er nog sprake van een zeer gering S-patroon. Dat klinkt heel logisch want via het actie = - reactie principe (3e wet van Newton) betekent elke zijwaartse actie een even grote tegenreactie die niet in de gewenste richting wordt ingezet. Daarmee “vervalt” als het ware de buggy whip. Over deze argumentatie ontstond een geanimeerde discussie: wat leren wij op de cursus van de KNZB en wat horen wij hier?
Jan Herber
Onze 3e spreker was Jan Herber, al sinds 1988 betrokken bij het nationale en internationale zwemmen als fysiotherapeut en onlangs nauw betrokken bij de revalidatie van Pieter v.d. Hoogenband. Rompstabiliteit en kracht (training) zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Jan heeft een zeer praktische uiteenzetting gegeven over rompstabiliteit. Zwemmen is balanceren en voor deze balans is een goede stabiliteit van de romp noodzakelijk. Voorwaarde dus voor een goede techniek. Ook hier geldt weer doe het goed! Zeker als je ook landtraining of krachttraining geeft. John Romkes, zelf ook fysiotherapeut en trainer, diende als voorbeeld.
De in onze bijscholing van vorig jaar (februari 2005, Zwolle) genoemde REP banden werden gebruikt als voorbeeld om te laten zien hoe belangrijk een juiste houding met de daarbij behorende stabilisatie van de schouder is bij bijvoorbeeld adductie bij armoefeningen. Voorbeelden uit het trainingskamp in Font Romeu werden genoemd en Joeri Beetz mocht het publiek een demonstatie geven die door Jan van commentaar werd voorzien. Door deze levende voorbeelden en door gebruik te maken van een schouder + arm in skeletvorm kon Jan de trainers blijven boeien.
René Dekker.
Bijscholing “talentbegeleiding en jeugdontwikkeling” op 12 februari 2005
Op de Calo in Zwolle heeft de NVVZT met de bijscholing “talentbegeleiding en jeugdontwikkeling” een goede, nuttige en leerzame bijscholing achter de rug. Ruim 70 trainers waren afgekomen op de sprekers die het gehoor met hun visie (hopelijk) aan het denken hebben gezet in het streven onze jeugdige talenten in een pedagogisch- en psychologisch goed klimaat en op fysiologisch goede manier te begeleiden.
Helaas moest Jan Herber op het laatste moment vanwege ziekte verstek laten gaan.In Harry Botterhuis fysiotherapeut en acupuncturist hadden wij een prima vervanger. Harry heeft een eigen praktijk als fysiotherapeut en acupuncturist in Raalte en volgt een studie osteopathie. In zijn betoog hield hij de deelnemers voor oog te hebben voor de ontwikkeling van kinderen in de puberteit. Veel kinderen maken in deze leeftijd een verschuiving van recreatiegericht naar wedstrijdgericht trainen door. Naast deze verandering maken kinderen een(tweede) lengte spurt door of krijgen kinderen juist meer een groei in de “breedte”. Door groei in de botten krijgt ook het spierkorset het te verduren. Met name het lichaam in balans krijgen geldt daarom ook met alle vormen van training, in ons geval zwemtraining en krachttraining. Een waarschuwing voor trainers die te maken krijgen met kinderen die in de lengte groeien. Het is het oppassen geblazen met krachttraining was zijn devies.
Bij alle trainingsvormen is het vermogen om kracht te mobiliseren van belang. Als voorbeeld gaf Harry het touwklimmen van Inge de Bruijn in haar Amerika periode bij Paul Bergen. Door de benen op te trekken is het mogelijk de buikspieren mee te laten werken met de armen. Door tekeningen van de schoudergordel en de aanhechtingen van pezen en spieren werd al duidelijk gemaakt door “vaste” punten te creëren het vermogen aan spierkracht toeneemt. Ook benadrukte Harry dat het noodzaak is beide zijden van het lichaam te trainen om de balans goed te houden. Bekend bij zwemmers is dat er weinig rugcrawl wordt gezwommen terwijl de verhouding al is 3 borstslagen – 1 rugslag. De aangespannen en krachtige pectoralis major en een in verhouding minder krachtige romboïdeus is een bekend voorbeeld van een disbalans. Een ander voorbeeld gaf Harry bij voetballers van FC Twente (beginperiode) waarbij de rectus femoris (bovenbeen spieren voorzijde) werd versterkt door krachttraining en ondanks dat er blessures ontstonden omdat de hamstrings (bovenbeenspieren achterzijde) niet in gelijke mate werden getraind (disbalans). De tekening van bovenbeen en knie werkte zeer verhelderend. Wel benadrukte Harry dat een goede uitgangshouding erg belangrijk is. Tip die hij gaf, ga eens bij de plaatselijke fysio langs en vraag waarop qua houding speciaal gelet moet worden. Bepaal vooraf wel welke spiergroepen en/of bewegingen je wilt gaan trainen.
Tot slot liet Harry in groepen van 5 de deelnemers kennismaken met speciale rubber banden waarbij de deelnemers konden ervaren dat op elk eigen (kracht)niveau oefeningen gedaan kunnen worden zonder gewichten (en zonder fitnesscentrum). Gezien de belangstelling en vragen aan Harry is het na deze deels theoretische-, deels praktische uiteenzetting mogelijk een (praktisch) vervolg te geven in onze najaarsapplicatie. Geef uw mening weer op ons infoadres!!
Tino Stoop, docent spel Calo Zwolle en jeugdsportontwikkelaar
Onze tweede spreker was Tino Stoop, jarenlang jeugdsportontwikkelaar bij de KNVB en spreker tijdens de “coaches on tour”van de NFWS (Nederlandse federatie van werkers in de sport). Op humoristische wijze betrok hij de deelnemers in zijn betoog over “opvoeden en sport”. Zijn de kinderen veranderd en door wie worden zij beïnvloed? Hoe ziet de tijdsbesteding van een kind eruit en in welke verbanden en milieus bevindt het kind zich vandaag de dag. Door middel van stellingen werden deelnemers geprikkeld hun mening naar voren te brengen. Mooie nuance in het verhaal was het onderscheid dat Tino maakte in drie fasen: 4-8 jaar is spelen in de sport; 8-12 jaar is leren in de sport en 12-18 jaar is specialiseren in de sport. Door ook de aandacht te vestigen op verschillende rollen die kinderen in de vereniging kunnen spelen is het mogelijk kinderen geboeid te houden. De rol als zwemmer was natuurlijk bekend, maar wie denkt eraan de sporter een rol als begeleider of organisator toe te delen. Kenmerkend voor de kijk van Tino is ook dat hij niet spreekt over oefeningen maar vormen. Oefenen benadrukt wat een kind niet kan, zijn vraag is dan ook iedere keer: “Wat wil je vandaag leren?” In de fase van spelen en leren is dat een belangrijk facet. Door middel van zijn theorie over een half vol of half leeg glas benadrukte Tino dat een positief ingestelde trainer meer kansen benut. Datzelfde met ingestelde jeugdcommissies. Bij navraag bleek dat er maar weinig jeugdcommissies in de verenigingen zijn die ook daadwerkelijk jeugdleden in zo’n commissie hebben zitten, een voorbeeld van een gemiste kans! Natuurlijk zijn er redenen aan te geven waardoor leden afhaken te onderscheiden in sport- en verenigingsgebonden oorzaken. Hebben wij wel eens gevraagd waarom een (jeugd)lid afhaakt? Mocht het persoongebonden zijn dan kan de vereniging daar (gelukkig) niets aan doen. Kortom de vereniging, bestuur, commissies, kader moeten inzicht hebben wat zij te bieden hebben en welke motieven de leden hebben en wat zij eigenlijk willen. Vast staat dat pedagogisch, methodisch en didactisch goed onderwezen kader van wezenlijk belang is voor de vereniging. Het gaat om MAATWERK!
Met een drietal conclusies beëindigde Tino zijn voordracht:
- aansluiten bij het niveau van de deelnemers
- aansluiten bij de motieven van de deelnemers
- sport en bewegingsactiviteiten moeten zo ingericht worden dat het beste van jeugdigen naar boven wordt gehaald
Martin Truijens, trainer TZA Amsterdam, inspannings fysioloog VU-Amsterdam Na de lunchpauze vertelde Martin Truijens over zijn studie in Dallas, USA in 2001-2002 waar hij onderzoek heeft gedaan naar de effecten van hoogte stage. Een interessant onderwerp aangezien Marcel Wouda (jeugdbondscoach) zich met een jeugdploeg in Font Romeu (1850 m hoogte) op trainingsstage bevindt. Martin gaf door middel van gedetailleerde grafieken de effecten aan in toename van rode bloedlichaampjes op verschillende hoogtes. Zelfs het kortdurende verblijf van 3 uur op 5,5 km hoogte is onderzocht. De vraag was natuurlijk of en welke effecten significant waren op o.a. aeroob en anaeroob gebied. Daarbij zijn verschillende situaties onderzocht van LHTH tot LHTL oftewel living high training high tot living high and training low.
Conclusie van Martins betoog was dat de beste variant is living high, training low voor een periode van minimaal 3 tot 4 weken op een minimale hoogte van 2500 meter een positief effect voor het aerobe vermogen. Hoogtestages, het blijft een interessant onderwerp. De effecten die Martin heeft onderzocht zijn effecten tijdens verblijf op hoogte en de korte termijn erna. Effecten op het mentale vlak en in de periode na verblijf op hoogte (3-4 weken, in de literatuur het moment van grootste effect) zijn in dit besproken onderzoek niet besproken.
René Dekker
